Monitoring: inleiding

Onderzoek naar de kwaliteit van het gebouwenbestand in de zorgsector is een wettelijke taak van het Bouwcollege en sluit aan op zijn missie, waarin medeverantwoordelijkheid voor de kwaliteit en kwantiteit van de infrastructuur in de zorgsector centraal staat. Zonder adequaat beeld van de kwaliteit en kwantiteit kan deze verantwoordelijkheid niet waar worden gemaakt.

Het is de bedoeling elk jaar de huisvestingssituatie in een zorgsector te monitoren, zodat elke sector om de vijf jaar aan de beurt komt. Op die manier kunnen ontwikkelingen in de tijd op zowel macro- als instellingsniveau goed worden gevolgd. Met de informatie worden de kwantiteit en de kwaliteit van de - via de WTZi (en WZV) gerealiseerde - infrastructuur in de zorgsector in kaart gebracht en worden gegevens geleverd voor het bouwbehoefteonderzoek. Ook wordt beleidsinformatie gegenereerd, waarmee kan worden vastgesteld in hoeverre het beleid van instellingen aansluit bij het (rijks)beleid.
Voor de instellingen zelf is het monitoren ook van belang, zij kunnen de informatie gebruiken bij het opstellen van het langetermijnhuisvestingsplan (LTHP) en zich vergelijken met andere instellingen ('benchmarking').
Voor een deel van de benodigde gegevens wordt een beroep gedaan op de instellingen. Voor een ander deel worden door een extern bureau gebouwinspecties gehouden. De bezochte instellingen ontvangen een rapport met de inspectiegegevens. Ook wordt een macrorapportage uitgebracht.

In het onderzoek wordt de functionele kwaliteit van het gebouwenbestand doorgelicht en vergeleken met de basiskwaliteitseisen (de minimaal vereiste kwaliteit) voor bestaande bouw en voor nieuwbouw. Dit leidt tot een gebouwscore van 0 tot 10, die is vertaald in de kleuraanduiding rood (ruim onvoldoende), oranje (onvoldoende) of groen (voldoende). Bij gebouwen die worden ingedeeld in de categorieën rood en oranje moet met prioriteit worden gekeken naar de oorzaken van de score.
De instellingen met locaties die slecht scoren, worden gericht benaderd. Dit moet leiden tot een toegespitst plan van aanpak per instelling.

Het onderzoek vindt plaats onder supervisie van een begeleidingscommissie, bestaande uit veld-deskundigen: de brancheorganisatie, Zorgverzekeraars Nederland, de NPCF, het Ministerie van VWS en de Inspectie voor de Gezondheidszorg.

Ook voor andere sectoren onderzoekt het Bouwcollege de functionele- en bouwtechnische kwaliteit van het gebouwenbestand. Zo werd in 2007 het gebouwenbestand van de Jeugdzorg onder de loep genomen, op verzoek van het Ministerie van VWS. In 2008 staat de monitoring van de gehandicaptenzorg op het programma, waarbij het accent komt te liggen op de verbeterpunten die in 2003 zijn geconstateerd en de kleinschalige voorzieningen in deze sector.


  •  

    Thema's